Je volautomatische trekjes tonen je de plattegrond
Een experiment dat je deze week kan doen.
Let, een paar dagen lang, op wat je lichaam vanzelf doet. Niet wat jij doet. Wat het lichaam uit zichzelf doet, zonder dat je het opmerkt tot het al gebeurt.
Je knie die op en neer hopt onder de tafel. Bijten op je nagels, of op de velletjes ernaast. Je lippen die zich samenknijpen. Je hand die over je gezicht gaat, of door je haar, en die daar even blijft hangen om te krabben aan een jeuk die er een seconde eerder niet was. Je nek die je losrekt. Je schouders die omhoog gaan en vallen.
En dan de stillere. Een hand die naar de buik gaat. Een hand op de borst. Armen die zich kruisen. Je rug die zich tegen een muur of een stoel duwt. Vingertoppen die tegen elkaar drukken. Een hand die de nek vastpakt.
Je doet deze dingen al. Honderden keren per dag. Het zijn geen gewoontes. Het zijn antwoorden. Samen zijn ze een plattegrond, en jij loopt er al jaren over zonder hem ooit te bekijken.
Het lichaam draagt al lang waar de geest nog geen verhaal over heeft.
Wanneer iets in jou oprijst, een gevoel, een herinnering, een lichte spanning, kiest het lichaam een gebaar. Niet om iets te verbergen. Om iets te doen.
Sommige gebaren houden vast. Andere laten los.
De hand op de buik zegt: hier zit het. Ik weet het.
De armen die zich kruisen zeggen: ik trek een grens om mezelf.
De rug tegen de muur zegt: ik heb iets achter me. Ik kan niet van achteren geraakt worden.
Dat is de ene familie. Houden. Omsluiten. Grens trekken.
De andere familie doet het omgekeerde. De hoppende knie. De nek die je losrekt. De schouders die vallen. Die lozen. Ze laten iets weg dat te veel was.
Neem de geeuw.
Je leest hem als moe, of als verveeld. Maar kijk eens wanneer hij komt. Vlak na een moeilijk gesprek. Halverwege een vergadering die spant. Op het moment dat iets net gezakt is.
Een geeuw is twee dingen tegelijk. Je kaak gaat open, je keel gaat open, je borst gaat open. Je ademt diep in, en laat een verse stroom zuurstof binnen. En dan traag en volledig uit, en op die uitademing gaat de spanning mee naar buiten.
Inname en lossing, in één beweging. Het is geen teken dat je afhaakt. Het is vaak het tegendeel. Het is je lichaam dat zich herbront. Een reset, midden in de situatie, om verder te kunnen in de omstandigheden die er nu zijn.
Niemand heeft je deze gebaren geleerd. Je deed ze al voor je twee jaar oud was.
Hier is wat populair “doe-deze-oefening”-advies vaak overslaat.
Je hebt geen nieuwe technieken nodig.
Je hebt een herkenning nodig.
Het lichaam doet het werk al. Het weet wanneer het zich moet samentrekken en wanneer het zich moet ontspannen. Het weet wat het wil houden en wat het wil loslaten. Wat het mist, is geen instructie. Wat het mist, is een lezer.
De experiment-week werkt zo.
Een paar keer per dag, op willekeurige momenten, kan je je afvragen: wat doet mijn lichaam nu?
Niet wat je voelt. Niet wat je denkt. Wat je vasthoudt met je handen, je armen, je schouders. Of wat je net loste.
En dan, het tweede deel: wat gebeurde er net voordat dit gebaar opkwam?
Soms is het een vergadering die zwaar was. Soms een gesprek dat te dichtbij kwam. Soms een telefoontje dat je niet had verwacht. Soms is het niets, gewoon een doorgaande dag.
Maar het lichaam wist iets. Het reageerde. En jij merkte het, omdat je begon te kijken.
Dat is geen slecht nieuws. Dat is bevrijdend.
De meeste mensen denken dat hun lichaam een ding is dat ze moeten leren beheren. Iets dat afgevoerd, gekalmeerd, gereguleerd moet worden, met technieken die ze van iemand anders krijgen.
Maar je lichaam is geen leerling. Het is een oudere broer of zus die het werk al doet voor jij in de kamer komt. Wat je kan leren, is hoe je mét hem of haar kan werken.
Een kleine extra opmerking.
De gebaren die je vanzelf doet, kan je ook bewust inzetten. Dat werkt. Maar er zit een val in. Zodra je het mechanisch doet, wordt het een oefening, en dan mis je precies waar het om draait. Het fijne werk gebeurt in wat je nauwelijks voelt.
Voel je dat iets in je oprijst en je weet niet wat? Leg je hand op je buik. Niet als techniek. Als herhaling van wat het lichaam al weet te doen.
Gaat er veel door je heen? Vertraag je ademhaling en ga in dialoog met je lichaam. Het vertelt je zonder woorden exact hoeveel milliliter lucht per seconde wenselijk is.
Het is geen ademhalingsoefening. Het is een dans, waar jij volgt.
Je hoeft geen nieuwe kaart te tekenen. De plattegrond ligt er al.
Wat je nooit deed, is hem lezen.
Deze week kan je beginnen.
Tot volgende week,
Jeroen
P.S. Deel dit artikel gerust voor wie het past. Kreeg je het doorgestuurd en wil je dit soort artikels wekelijks (en een week voor ze online komen) in je mailbox? klik hier en schrijf je in.
Pingback: Altijd moe? Drie soorten moeheid, drie andere antwoorden